“Een Nederlander denkt dat hij voedsel nodig heeft om in leven te blijven. Maar de Zuid-Europeaan, die weet dat je van voedsel kunt genieten. Nederlandse boeren hollen vaak achter het Anglo-Amerikaanse model voor boeren aan: altijd maar groei. In Amerika is de boer een farmer, een agrarische ondernemer, maar in Frankrijk kennen we de paysant, de man van het land. Ik voel me veel meer man van het land dan farmer. Dat is het wezenlijke verschil tussen biologisch en gangbaar voedsel.”
Twintig portreten van ondernemers, boeren en telers.

Een portret uit De boer op:

Ballet voor tomaten
In Nederland groeien tomaten in het seizoen. In Spanje niet. Hier groeien de tomaten het hele jaar door. Zelfs in de wintermaanden, dan komen vrachtwagens vol tomaten onze kant op. Niet omdat het in Spanje warm is, maar omdat de Spanjaarden veel licht hebben. Heel veel licht. En dat is wat tomatenplanten nodig hebben om te groeien.

Door de kale bergen langs de kust van Alicante in Zuid-Spanje slingeren de kassen van tomatenfirma Bonnysa. Of eigenlijk een tomatendorp van dertien tomatenbedrijven, een lagere school, een kerk en huizen voor gepensioneerde werknemers. Oprichter en naamgever van het tomatenimperium was Antonío Bonny Gomez. Een klassieke Spanjaard die in olieverf aan de muur voortleeft. Toen hij in 1964 overleed, kwam het hele bedrijf in handen van zijn vrouw Sebastiana Manrique de Lara Y Astudillo. Ze deed het bedrijf in de verkoop maar niet voordat ze een stichting had opgericht die voor gratis onderwijs voor de kinderen van Bonnysa-werknemers zorgt en voor don Ramon, de priester van de aangrenzende kerk die met Bonnysa-geld gebouwd werd. José Benavent is er met ons opuit gestuurd om de kassen te bezoeken. Hij stuurt de nieuwe Jeep Grand Cherokee door de glazen stad van het dorpje San Juan. Deze four wheel drive is geen overbodige luxe. De kassen strekken zich uit over een gebied van meer dan 300 hectare. Als een lappendeken slingeren de kassen door de rauwe bergen van steen en lage, dorre struiken. Hier en daar passeren we een hacienda, sinaasappelbomen staan verloren langs de berm van de weg. Water is schaars in dit gele landschap. Regen en irrigatiewater worden via een ingenieus afwateringssysteem in bassins opgevangen. Geen druppel gaat verloren. En dan plotseling passeren we een resort met golfterrein. Een sappige groene lap grond tussen zandkleurig horizon. Goed voor het toerisme maar een aanslag op de watervoorraad.
In een kas waarin met gemak tien voetbalvelden gaan, worden zaadjes gekweekt tot tomatenplantjes. Twee zaadjes groeien samen uit tot één plant. Het zaaien gebeurt met een machine, maar daarna moet het opgroeiende plantje met de hand naar een groter formaat kweekbakje overgeplant worden. Blonde vrouwen zijn met hun vingers bedreven in verplanten van de kleine kwetsbare tomatenplantjes van een vinger hoog. Hun blondheid komt uit een potje, onthult Dolores. Ze wijst op een plastic klip die de twee ontkiemde zaadjes bij elkaar houdt. Een tomatenplant die groeit uit twee zaadjes is sterker en lekkerder, zegt ze. De blondjes hebben hun aandeel in de 10 miljoen plantjes die er hier in een jaar gekweekt en verpot worden. De groei van zaad naar plantje duurt een paar weken, tomaten plukken kan vervolgens na een maand. Een tomatenplant gaat ongeveer 10 maanden mee en is dan 14 tot 15 meter groot geworden.
De kassen zijn behangen met gele vlaggetjes. Van binnen en van buiten. Op de vlaggetjes zit lijm die vliegjes weghoudt van de planten, maar die tegelijk laat zien welke vliegjes zich rond de kassen ophouden. Het ene vliegje is onschuldig, het andere moet bestreden worden. Zoveel mogelijk met natuurlijk middelen, bijvoorbeeld met sluipwespen.
Eindelijk ruiken we de tomaten. Vleestomaten zijn het. Kanjers. De tomaten zijn in augustus geplant. In gele dozen houden zich in de kassen bijen op die zorgen voor de bevruchting van de gele tomatenbloemetjes. Het is het verhaal van het bloemetje en de bij. Na een bezoek van de bij ontstaat in het bloemetje de tomaat. “Steken ze niet?”, vraag ik opzichter Fransisco Fernando. “Hooguit als je gele kleren draagt.” Zijn werkgebied bedraagt 16,5 hectare en de walkie-talkie aan zijn riem galmt voortdurend. Faviola en Esther glijden met een karretje tussen de rijen door om de planten langs een touwtje vast te zetten. Af en toe wordt de kas met lawaai gevuld. Het is het dak dat automatisch open en dicht gaat om de ideale temperatuur te handhaven. Met een najaarszonnetje van amper 20°C is het knap heet in de kas. Maar het kan erger. “In de zomer, als het buiten 40°C is, is het hier binnen aangenamer dan buiten”, zegt José.
Alle tomaten komen samen in het pakhuis van Bonnysa. Volgend jaar wordt het nieuwe pakhuis in gebruik genomen dat 24 miljoen euro gekost heeft, vertelt een trotse José. Nu gaan we naar de oude. Uitgerust met een slagersjas en –pet betreden we een enorme hal waarin tweehonderd mensen en tonnen tomaten als mieren door elkaar heen krioelen. Maar dan geordend. We zijn aanbeland in een tomatentheater. Een balletvoorstelling. Tomaten dansen over computergestuurde transportbanden die de tomaten scheiden op kleur en gewicht. Precies op de goede plek duikelen ze door een gat naar beneden om op een volgende band afgevoerd te worden. Ik raak in een soort hypnose door de ritmes, de geluiden en de bewegingen van de heftrucks met pallets tomaten die elegante cirkels en patronen rijden. Aan de sorteerbanden staan alleen vrouwen. Ze doen hun best niet te lachen als een camera voor hun neus verschijnt. Maar als we doorlopen is er hilariteit. Mario wijst een groene tomaat aan die voor de lokale markt bestemd is. “Mijn opa heeft deze gekweekt.” Ik proef. Hij is zoet maar ook zuur.
De tomaten zijn in twee, drie dagen in Nederland. Elke dag rijden van dit pakhuis twee vrachtwagens vol naar Nederland. Chauffeur Marco wacht geduldig tot zijn wagen geladen is. Hij heeft een rit van 1950 kilometer voor de boeg. Een rijtijd van 23 uur, stoppen niet meegerekend. “Ik hoop dat ik snel door Frankrijk heen ben, want ze willen daar gaan staken”, zegt hij.
Als we ons in een visrestaurant tegoed doen aan zeebanket willen we meer weten over het Tomatina-festival in het stadje Buñol dat hier niet zo heel ver vandaan ligt. Tijdens dit festival gaan inwoners elkaar te lijf met (rotte) tomaten. Maar waarom doen ze dit? De een zegt dat dit begon met een uit de hand gelopen ruzie tussen twee families over eten. Anderen beweren dat een burgemeester spontaan werd bekogeld door ontevreden burgers. “Ach”, zegt Theresa die bij de lunch kwam aanschuiven, “volgens mij is die ‘traditie’ alleen maar ontstaan om toeristen te trekken. Het zijn vooral Japanners die er in hordes op afkomen.”

omslag-definitief-1