Vlinders zijn tere schepseltjes. Aandoenlijk, ook al zijn ze dood. Kleine lijkjes met opwindende kleuren. Zorgvuldig vastgeprikt op fluwelen kussens. Nachtvlinders, buikvlinders op 10 centimeter van elkaar. Painted ladies. Felgekleurde, geruisloze engelen. Jonge meisjes eigenlijk. Verteerd door ziekte of gewoon doodgereden door een dronken automobilist. Een collectie dode jonge vrouwen. Meisjes waar god wel trek in had. Op hun mooist streken ze neer op aarde om te vertellen dat het goed met ze gaat. Maar erg veel tijd kregen ze daar niet voor. Even niet opletten en tsjak, daar prijkten ze op de speld van een jonge onderzoeker. Voor zijn privé-collectie of voor hier in het American Museum of Natural History in New York. Hier liggen ze opgebaard. Arme meisjes met grote gaten in hun lijf. Uitgefladderd, mooi te wezen. Wie geluk had, belandde in het net waaraan je nooit kunt ontsnappen. In The Butterfly Vivarium slijten zij hun dagen. In een bezwete kooi voor het oog van camera’s waardoor hun bewegingen en gedragingen over de hele wereld te volgen zijn. Wat heb je daar aan? Eet ze op. Ze zitten boordevol proteïne. Een groepje bergbeklimmers in Paraguay leefde ruim een maand op deze kleine flodderaars. (Weekbladpersgroep, Fantoompijn)
(foto Ted)