Thee heeft een Nederlandse geschiedenis omdat de Hollanders thee voor het eerst buiten China brachten. Thee uit Indonesië heeft nog meer een Nederlandse geschiedenis door de Nederlanders die er theeplantages tot bloei brachten. Thee uit Indonesië blijft altijd een beetje Nederlands.

De weg naar de theeplantages rond Bandung is lang en overvol. Mensen leven langs de snelweg. Er staan kraampjes met meloenen en bananen. En voetbalveldjes waar auto’s met 120 km/u langs razen. Mensen steken over met boodschappentassen. Het regent. Suherman, die ons meeneemt naar de plantages, begrijpt er niets van. In augustus en oktober is het droge seizoen en toch vallen er buien. Als de smalle weg omhoog de bergen in gaat, vallen we midden in het Indonesische leven. De berg kreunt. Motoren passeren ons met kinderen voorop, zonder helm. Er is een overvloed aan eten en drinken die in hutjes is uitgestald. Kippen, honden, geiten, rijstvelden, terrassen, palmbomen. Alles loopt door elkaar heen, Opgeschilderde huizen zijn lichtblauw, geel, roze, rood. Zwarte wolken komen uit uitlaten. En steeds het getoeter: ik haal je in. Niet alleen smalle busjes maar ook grote bussen. Levenslinke, dappere inhaalmanoeuvres, maar nooit opgewonden. Fietsriksja’s en paardenriksja’s kiezen hun eigen pad. Moeders met kinderen op hun arm zoeken naar een moment om over te steken. De meeste met een hoofddoekje. Indonesië is het grootste moslimland van de wereld. Mensen zijn vriendelijk. Kijken soms wat nors maar beginnen bij het minste meteen te glimlachen. Er is een heleboel dat herinnert aan Nederland. De huizen met Hollandse daken maar ook de gezichten die in Nederland zo gewoon zijn. Bandung telt vier miljoen inwoners en in de directe omgeving leven er nog eens 4 miljoen. De theeplantages waarnaar we op weg zijn liggen in het Pengalegangebergte rond Bandung. In totaal zo’n 13960 hectare op 1500 tot 1825 meter hoogte. Er zijn ook lagere theevelden en daar gaan we niet heen. Gelukkig maar. Er zitten daar allerlei slangen. Ook cobra’s. Maar we komen nog wel op berghellingen waar zwarte panters leven. Oei, oei.

Thee begon in Bandung door een Hollandse avonturier uit Den Haag, Karel Anton Rudolf Bosscha. Die kwam in 1873 naar Nederlands-Indië. In Malabar begon hij de theeplantage die nu in handen is van de Indonesische overheid. Nog steeds staat op het hoogte punt de toren van waaruit Bosscha zijn gehele plantage kon overzien. Het is vier uur in de morgen. We willen de zon zien opkomen en zijn naar Bosscha’s toren omhoog geklommen. Maar een uur te vroeg. Het is vreselijk koud. We zijn in de tropen maar lopen te blauwbekken. Een vuur moet ons warm maken. Net als de wachters doen die ’s nachts op de kininebomen moeten letten die geliefd zijn omdat ze veel geld opbrengen. Uit de vallei schalt een gebed uit de moskee. Dian is met ons meegegaan. Hij is de huidige planter van Malabar. Net als Bosscha klimt hij elke dag in de toren. “Hier krijg ik inspiratie. Kan ik genieten als ik naar theebladeren kijk die door het plukken telkens van kleur veranderen.” Hij maakt zich niet druk om details. “Is sta hier niet om plukkers te controleren.” Zijn dochter Camelia van 7 zit ook op school hier op de plantage. Zoon Ario is pas 4. Zijn vrouw studeerde economie aan de universiteit van Jakarta maar is nu huisvrouw. Als de zon opkomt, voelt het als een straalkachel. De grijze berghellingen veranderen in groen fluwelen dekens. Bosscha werd niet gehinderd door een vrouw die dit soort avonturiers meestal weigerde te volgen. Zijn grafmonument heeft de vorm van tropenhelm die in die tijd gedragen werden. Een oude man, Ohim, verzorgt het graf. Hij laat een oude, vergeelde foto zien van Bosscha die hij in zijn binnenzak bewaart. Wijst op het bankje waar Bosscha avond zat. Hij spreekt nog Nederlands, maar durft het niet omdat de huidige baas van de theeplantage naast hem staat. Dian: “Dat is Java, mensen zijn verlegen en onderdanig.”

In de vroege ochtend bereiden mannen en vrouwen zich voor op het plukwerk. De bergen rond Malabar vertonen in de vroege, koude ochtend gelijkenis met het leven in Tibet. Mannen, vrouwen en kinderen op trucks zijn dik ingepakt in gewatteerde jassen en dikke sjaals. Over hun kleren binden ze stukken plastic. In de natte struiken zouden snel doorweekt zijn. De taal die ze spreken is Soendanees, de originele taal van West-Java. Ze eten nog even rijstrolletje voor ze aan de slag gaan en maken grapjes. Telkens plukken ze twee uur en hebben dan weer een pauze van een uur. Als een scheermes glijden ze over de groene struiken. Soms gebruiken de plukkers een stok die ze over de struiken leggen waardoor ze heel precies de ideale plukhoogte kunnen handhaven. Ze hebben vingers die de pluktechniek eigen hebben gemaakt. Mannen plukken bovenhands, vrouwen onderhands. Het gaat om de verse groene blaadjes. De mooiste pluk is de knop en de eerste twee blaadjes. Die zijn het zachtst en meest vers. De vrouwen verbergen hun gezichten onder Vietnamese hoeden die hen in het droge seizoen beschermen tegen de zon en in het regenseizoen tegen het aanhoudende water. Maar onder die hoed verschijnen soms vuurrode lippen. Dian vertelt dat de vrouwen met lipstick in hun zak rondlopen voor het geval bezoekers van de plantage samen met hun op de foto willen. Een theeblad aan een stuik is trouwens nog lang geen thee. Als het ergens naar smaakt is het gras en er valt geen geur te ontdekken. De achthonderd plukkers hier moeten wel gelukkig zijn. Malabar is een dorp op zich. Iedereen die er werkt, woont in een huis van de plantage op het landgoed. Kinderen lopen rond, er is een school, een ziekenhuis en winkels. Sommige huizen stonden er al in Bosscha’s tijd. Iyet (89) en zijn vrouw Onah wonen nog altijd in het bamboehuisje waar Iyet 89 jaar geleden op de wereld kwam. Hij brengt ons in verlegenheid door met twee handen onze hand te pakken en te kussen. Bijna 90 is hij en helemaal voetbalgek – hij is niet de enige, in het dorpje zien we trainingspakken met Italia erop voorbij lopen. De wanden van Iyet en Onahs kleine bedstee zijn volgeplakt met posters van Iyets favoriete voetbalclubs. Hij maakt zelf honing die hij bewaart in oude cola-flessen. Kinderen komen aangestormd. ‘Hello, hello’. Ze poseren brutaal. Ze willen op de foto.

Als het avond wordt ervaren we Javaanse gastvrijheid en vriendelijkheid. Voor onze neus staat opeens een gamelan-groep van zo’n dertig studenten uit Bandung met anklung-instrumenten. Ze spelen Hollandse en Duitse deuntjes maar we voelen ons toch vereerd. Daarna lekker dansen en theedrinken. Hatur nuhun. Dankjewel.

Blad van een wilde theeboom
De overlevering zegt dat de Chinese keizer Shen Nung zo’n vijfduizend jaar geleden onder een boom aan een kop warm water zat te nippen toen er een blad van een wilde theeboom in zijn kom viel. Dat moet een sterk blaadje geweest zijn want meteen was hij aangenaam verrast door de smaak. Theetuinen waaierden uit over China en het was de Verenigde Oostindische Compagnie die begin zeventiende eeuw thee buiten China bracht. Zo rond 1630 werd in kleine kring thee gedronken in Amsterdam, Londen en Parijs. Maar de vraag naar thee werd zo groot dat China, als ’s werelds enige theeproducent, de slechtste kwaliteit theebladeren naar Europa stuurde. En zo kwam het dat vooral de Engelsen in de achttiende eeuw theeplanten uit China smokkelden en in India, Ceylon (nu Sri Lanka) en Afrika plantten. Al vanaf 1728 bracht de VOC Chinezen en theezaden naar Java. 150 jaar later ook Indiase theezaden. De Nederlanders, met als pionier de Hagenaar Karel Bosscha, zetten theeplantages op in Nederlands-Indië. Op Sumatra en op Java in het berglandschap van Bandung, de stad die begin negentiende eeuw tot bloei kwam door de thee industrie. Indonesië staat met 120 miljoen kilo nu op de zesde plaats van theeproducerende landen. De grootste is India, dan China.

Chinese en Indiase stamvaders
Gooi net als Shen Nung een blaadje van zomaar een struik of boom in kokend water en je zou het thee kunne noemen. Maar dat kan niet. Thee komt van twee theestruiken: thea sinensis uit China of thea assamica uit India. Alle theeplanten op de wereld, van Egypte tot Argentinië, stammen af van een van deze twee gewassen of een kruising van de twee. Bekend zijn zwarte en groene thee. Maar er bestaat ook witte. Kruiden- en vruchtenthee zijn vaak mengels van thee met kruiden en vruchten en natuurlijke smaakversterkers. Rooibos is een verhaal apart. Deze thee komt van een rooibos-struik en bevat geen looizuur. Het is geen thee. Maar wordt wel als thee gedronken. De nieuwste trend is honeybos-thee. Ook uit Zuid-Afrika en ook weer geen echte thee. In een Nederlandse tuin kun je geen theeplant laten groeien. Thee groeit op sappige heuvels en bergen waar overdag veel zon is (minstens 5 uur) en ’s nachts veel vocht (1600 liter in een jaar) India, China, Sri Lanka, Japan, Malawi, Kenia en Indonesië zijn de voornaamste producenten. Indonesië is een gemakkelijk klimaat om thee te telen. Hier wordt niet zoals in sommige andere landen met bestrijdingsmiddelen gewerkt.

Het productieproces
In grote balen gaan de versgeplukte theebladeren naar de fabriek. Oude gebouwen waar geen ruit meer in zit, maar waar het voor het eerst heerlijk gaat ruiken naar thee. Bordjes aan de muur met ‘produksi’, ‘othodoks’ en ‘oksidasi’ stammen ook nog uit de Hollandse tijd. Het grootse deel van het proces speelt zich in de fabriek af. Eerst laat men de bladeren verwelken in ondiepe, soms dertig meter lange bakken waar warme en koude lucht doorheen geblazen wordt. Na dit drogen is het theeblad al tweederde van zijn gewicht kwijtgeraakt. Daarna gaat de thee is een walsmachine waardoor de sappen in het blad vrijkomen. In een walsmachine worden de blaadjes geplet. Dit is de orthodoxe methode. De Engelsen introduceerden CTC. CTC staat voor crushing (breken), tearing (scheuren) en curling (rollen). In deze machine worden de blaadjes nog fijner en kleiner gesneden. CTC is populair omdat blaadjes die zo gesneden zijn in een theekopje veel sneller kleur en smaak geven dan de orthodoxe blaadjes. De stukjes theeblad worden gesorteerd naar grootte en worden dan in bakken gelegd voor fermentatie. Dat is niets anders dan zuurstof, die een chemische reactie aangaat met het sap uit het blad, zijn werk laten doen. Door fermentatie krijgt thee zijn smaak en karakteristieke kleur. Dat is in de productie ook het grote verschil met groene thee. Groene thee is niet gefermenteerd waardoor het een ijle groene kleur houdt. Een listig klusje is te bepalen hoe lang de thee zo blijft liggen. Te lange en te korte fermentatie leiden allebei tot slechtere kwaliteit thee. Ruchban is theemaker. Smaakmaker eigenlijk. Het fermentatieproces duurt ongeveer veertien tot zestien uur en elk uur checkt Ruchban of de ontwikkeling volgens planning verloopt. Van de fermentatiebak gaat de thee zo de hete oven in. Geen keukenoven maar enorme bakken ter grootte van scheepscontainers. Op een temperatuur van 100 tot 120 graden wordt de thee gedroogd of eigenlijk ‘gebakken’. Dat stopt de fermentatie. Het is er lawaaierig en bloedheet maar dit is mijn favoriete plek in de fabriek. Zintuigen kunnen niet meer geprikkeld worden dan in deze explosie van theegeuren. Dan het sorteren. Herhaalde keren op vorm en grootte. En dan kwalificeren. Vorm en formaat vaststellen. Dat is niet heel gemakkelijk. Naast de vier hoofdkwalificaties blad, gebroken, fannings en stof zijn er een hoop onderkwalificaties die alleen door de echte theekenner van elkaar te onderscheiden zijn. Fannings is de thee die in het theezakje gaat.

Blenden van thee
Thee is een natuurproduct. Daardoor kan thee die op dezelfde plantage op verschillende dagen is geplukt kwalitatief verschillen. Om daarmee toch een constante kwaliteit te maken worden deze verschillende pluks met elkaar gemengd. Dat heet blenden. Bij de importeur van thee voor Albert Heijn in Hamburg wordt thee opnieuw geblend om tot een gewenste kwaliteit te komen. Hier wordt thee uit bijvoorbeeld Kenia, India en Indonesië gemengd. Thee voor de Nederlandse markt bevat traditioneel grote hoeveelheden Indonesische thee omdat Nederlanders deze smaak waarderen.

Slurpen en spugen
Proeven van thee gaat met een zilveren lepel of uit de kop. Met een krachtige slurp en dan laten rondgaan in de mond. De porties thee worden afgewogen, precies 2,8 gram. Dan met een afgemeten hoeveelheid kokend water en zes minuten laten trekken. Alles moet precies gelijk zijn om smaken te kunnen beoordelen. Bala onze vriend en reisgenoot, is theehandelaar uit India, woont in Singapore maar zit de halve week op Java en Sumatra. Hiervoor was hij theeproever. Per dag werkte hij soms zes tot zevenhonderd theekopjes af. Dat ging zo snel dat de proever niet zelf de testresultaten opschrijft. Hij doet het ons voor. Zijn motto: ‘proef altijd thee in je eigen omgeving met je eigen water. Daar moet je de thee lekker vinden.’

Theedrinkers en koffiedrinkers
De wereld is ruwweg in te delen in twee groepen. De koffiedrinkers en de theedrinkers en dat is niet willekeurig. Van een adelijke drank groeide thee uit tot een volksdrank die vooral juist in arme landen of gebieden veel gedronken ging worden. Per jaar drinken de Ieren de meeste thee. Ongeveer 3210 gram, dat zijn 2140 kopjes (bijna zes per dag). Dan Engeland met 1733 kopjes. Op de derde plaats, voor een aantal kleine moslimlanden, staat Oost-Friesland, een deel van Duitsland dat zo arm was dat er eigenlijk alleen thee gedronken werd (maar dan wel goede). Een Nederlander drinkt per jaar ongeveer 500 gram thee. Dat zijn 333 kopjes. En daarmee is Nederland eigenlijk een koffieland waar toch ook thee gedronken wordt.

Thee drinken
Hoe maak je een perfect kopje thee? De thee moet goed bewaard op een droge plek. Weg van licht en warmte. Zwarte thee kan een jaar bewaard worden. Groene ongeveer 8 maanden. Gebruik altijd vers water. Geen eerder gekookt water en ook geen bronwater. De theepot nooit afwassen, maar spoelen met heet water. Bruine aanslag is tannine en dat komt de smaak juist te goede. Voor verschillende soorten thee, verschillende potten gebruiken. Of in de kop. Thee laten trekken tussen de twee en vijf minuten. Op de verpakking staat hoe lang precies. Dat is heel wat langer dan uit een consumentenonderzoek naar voren kwam. Dat zegt dat we het theezakje er gemiddeld 42 seconden in laten hangen. Te kort dus om de smaak tot z’n recht te laten komen. Bij losse thee geen thee-ei gebruiken. Drink uit porselein, niet uit aardewerk. En oh ja, niet de Engelsen maar de Fransen begonnen met een wolkje melk in de thee om te voorkomen dat porselein haarscheurtjes kreeg.

Gezond drankje
Indonesie is gemakkelijk in het opnoemen van alle gezonde eigenschappen van thee: thee tegen stress, beschermt tanden, bevordert haargroei, geeft sterkere spieren, scherpt de geest. Tegen allerlei ziektes maar ook om de lichamelijke en geestelijk conditie te verbeteren. Hier en daar lopen onderzoeken die moeten aantonen dat theedrinkers inderdaad gezonder zijn dan niet-theedrinkers, maar de moeilijkheid daarbij is dat originele theedrinkers in heel andere culturen leven dan koffiedrinkers. Bij het vergelijken van de gezondheid spelen dan tal van andere factoren een rol, zoals voedsel, leefomgeving, milieu. In Nederland wordt groene thee als een gezondere thee dan zwarte thee gezien, maar tussen beide theesoorten bestaan weinig verschillen. Ook in groene thee zit looizuur. Groene thee bevat wel meer vitamine A en C omdat die bij zwarte thee tijdens fermentatie voor een deel verloren gaan.

*Eerste langegolf radiocontact tussen de koningin Wilhelmina en Bandung.