Langs de kust van Newfoundland liggen ze in elke supermarkt tussen de six packs en schoonmaakmiddelen. Dat is te gemakkelijk. We gaan kreeften zelf vangen.

Placentia Bay ligt vredig onder een overdadige noorderzon. Paul en Betsy maken de boot klaar om uit te varen. Paul is visser, Betsy visservrouw. Niet de vrouw van een visser, maar een vrouw die elke dag de oceaan opgaat. Met z’n tweeën. Krabben, kreeften en vis. Kreeften vangen heeft meer weg van konijnen vangen dan van vissen. Het gaat met open kisten waar kreeften wel in maar niet uit kunnen kruipen. Binnen in het labyrint lonkt het aas voor de kreeft. Paul gebruikt rotte haring Hij lacht. ‘Een kreeft is slimmer dan je denkt. Die is er zo weer uit.’ In het seizoen, van half mei tot half juni vangen ze kreeften.

Ze zijn niet rijk, maar ze lijken met weinig tevreden. Ze hebben in deze oneindige, zielloze omgeving in ieder geval elkaar. Paul is krap een meter zestig, Betsy is nog een paar centimeter kleiner. Het rauwe zeeleven heeft hun lichamen getekend, maar niet de gevoelens voor elkaar. Meevarend op dit schip zijn we voyeurs. Het is moeilijk om hun genegenheid voor elkaar te ontwijken. Ze zijn zacht voor elkaar. Zelfs als ze boven het geluid van de motor naar elkaar schreeuwen dat ze een boei gezien hebben. Een boei waar de lobsterpot aan vastzit. In elk blik zit liefde en wij hangen achterop het dek lui tegen de reling. We slingeren van boei naar boei. Elke keer is er de spanning als de pot aan een strak gespannen touw aan een lier de hoogte in wordt getrokken. Onder de waterspiegel tekenen de contouren van de kist zich langzaam af. Zeewier lijkt dan nog op kreeft, maar boven water is het weer mis. In andere jaren vingen Paul en Betsy soms meer dan tweehonderd kreeften op een dag. Vorig jaar nog zaten er meestal zeven of acht kreeften in een kist zo groot als een broodtrommel. De vangst van de hele dag zijn twee kreeften. Een mannetje en een vrouwtje. Paul en Betsy lijken toch volmaakt gelukkig.

John, een speedbotenbouwer die vanavond kreeft voor ons gaat maken wrijft met z’n vinger tussen de ogen van de kreeft die meteen in slaap valt. “Hoe het werkt weet ik niet, maar het werkt wel”, zegt hij. De scharen heeft Betsy meteen ingepakt met een elastiekje. “Ze bijten je vinger er niet af, maar ze kunnen je wel lelijk verwonden.”

Onze schamele vangst is niet consumptieklaar. Een kreeft moet een tijdje in schoon water verblijven, krijgt daar niets meer te eten. Pas als de darmen schoon zijn en de maag leeg, kan hij de pan in. Voor vanavond dus eerst naar de supermarkt voor kreeft. Een mannetje of vrouwtje maakt voor de smaak niet uit. Er is ook geen verschil tussen kleine en grote. Kreeft is gemakkelijk klaar te maken. “Met de kop naar beneden het kokende water in totdat hij rose is”, zegt John. De kreeft die kopje ondergaat is meteen braindead, maar na twee minuten ligt er toch nog een te stuiptrekken. Levend koken blijft akelig. Er zijn andere methoden. “Sla hem knock out en doorboor de kop met een priem. Of verzuip hem eerst langzaam in lauwe witte wijn”, zegt John die kreeften ook gespiest op de barbecue legt. Van achter naar voren gespiest, door de staart. “Anders krult ie om en wordt ie niet goed gaar.” Kreeften zelf hebben geen last van een geweten. Als ze een jaar oud zijn en een pink groot, bezitten ze al een nietsontziende agressiviteit. Ze vreten alles dat op hun weg komt, ook broertjes en zusjes en terwijl ze opgroeien zijn vrouwtjes niet altijd veilig. Kreeften groeien, maar hun pantser niet. De schaal gooien ze af zodat er een nieuwe kan aangroeien. In deze periode, die drie weken duurt, scheiden vrouwen een stof af waar mannen hitsig van worden. Een vrouwtje zonder beschermend pantser blijft nooit lang onopgemerkt. Ze kan dan kiezen tussen amoureuze handelingen of opgegeten worden.Kreeften kunnen ouder dan honderd jaar worden. Dat geldt voor een enkeling. De meeste worden gevangen als ze vijf tot tien jaar zijn. Ze wegen dan ongeveer een kilo en zijn 30 centimeter groot. John heeft er eens een gevangen van 28 pond. Hij paste in geen enkele pan. Ze hebben hem toen boven een kampvuur hebben gehangen. Als de snorharen loslaten is de kreeft gaar. “Ik eet hem helemaal. Behalve de maag. Die zit achter de kop. De lever moet op je tong uiteen vallen. De kaviaar is rauw lekkerder, maar haal die maar eens uit een levende kreeft”, zegt John.